Spring naar inhoud

2.1 ROVA in het management van Afval & Grondstoffen

Sturen op kwaliteit

In het beheer van huishoudelijk afval hebben gemeenten met hun inwoners de afgelopen decennia grote stappen gezet. Afval scheiden aan huis is in hoge mate ingeburgerd. De hoeveelheid restafval die voor verbranding wordt aangeboden is fors gedaald ten gunste van de hoeveelheid herbruikbare grondstoffen die teruggewonnen worden. Gemeenten hebben hiervoor volop geïnvesteerd in nieuwe inzamelsystemen en hebben met beleidsinterventies als diftar en omgekeerd inzamelen en met intensieve communicatie en voorlichtingscampagnes goede resultaten behaald. En toch valt er nog een wereld te winnen als we daadwerkelijk naar een circulaire samenleving willen. Er gaan nog steeds waardevolle grondstoffen verloren. Het aandeel hergebruik en hoogwaardige recycling kan nog verder worden verbeterd. Om hier een nieuwe impuls aan te geven ontwikkelden we een nieuwe visie op het beheer van huishoudelijk afval en onze rol daarin als afvalinzamelaar. In de kern draait het om kwaliteit. Kwaliteit van de grondstoffen die we bij inwoners ophalen en door willen leggen naar recyclingbedrijven en verwerkers die hier weer nieuwe grondstoffen en producten van kunnen maken. Daarbij gaat het vooral om betrouwbaarheid en consistentie van kwaliteit. Als we erin slagen de grondstoffen zorgvuldig te scheiden en zonder verstorende vervuiling aan te bieden, dan bevordert dat de circulariteit en helpt het mee in het beheersen van de kosten van vuilafvoer en -verwerking. Om vorm en inhoud te geven aan onze visie op kwaliteit ontwikkelden we ons Programma Kwaliteit Grondstoffen. Dit programma beslaat drie sporen. In het eerste spoor richten we ons op onze inwoners. Door goede voorlichting en de inzet van voorlopers en afvalcoaches proberen we inwoners te ondersteunen en feedback te geven op hun afdankgedrag. Nadat we de afgelopen jaren in nagenoeg alle ROVA-gemeenten onze campagne #Terugwinnaars hebben gedraaid, beschikken we inmiddels over een uitgewerkte kernelementen aanpak die voor gemeenten beschikbaar is om gestructureerd met inwoners te werken aan het verbeteren van de kwaliteit en het terugdringen van ongewenste vervuiling. In het tweede spoor richten we ons op onze eigen bedrijfsvoering. Welke nieuwe instrumenten kunnen we inzetten om tijdens de inzameling beter op kwaliteit te kunnen sturen? Welke verbeteringen kunnen we behalen bij de op- en overslag? Uit deze zoektocht hebben we vorig jaar twee interessante pilots ontwikkeld die op veel belangstelling van gemeenten, branchegenoten en media mochten rekenen. De eerste pilot betreft het wegen van de PMD-container tijdens de inzameling. We onderzoeken of het gewicht van de PMD-container een indicator kan zijn voor vervuiling. Als we hieruit een hanteerbare norm kunnen herleiden, dan kunnen we in de nabij toekomst tijdens de inzameling containers die een bovenmatige vervuiling bevatten weren en daarmee de rest van de vracht vrijwaren van vervuiling. De eerste resultaten zijn hoopgevend. We verwachten dat we hiermee een belangrijke tool beschikbaar hebben om grip te krijgen op de vervuiling van PMD. Bij de inzameling van gft-afval startten we met een proef met de inzet van kunstmatige intelligentie. Ook hierbij is het doel om tijdens de inzameling ongewenste vervuiling te kunnen detecteren. Ook bij de inzameling van oud papier zou deze techniek toegepast kunnen worden. Door op huishoudenniveau te meten zijn we in de toekomst ook in staat om gerichte feedback te verzorgen richting inwoners. Het derde spoor in ons programma Kwaliteit Grondstoffen betreft de afvalbranche. Door met andere afvalbedrijven en recyclers het gesprek aan te gaan over deze vormen van kwaliteitssturing, brengen we de branche in beweging en kan een versnelling ontstaan in het verhogen van de circulariteit.

Gemeentelijke beleidsplannen

Met onze beleids- en communicatieadviseurs zijn we dagelijks betrokken bij de ontwikkeling en/of actualisatie van de gemeentelijke grondstofplannen. Samen analyseren we de resultaten en verkennen we het verbeterpotentieel. Zo hebben we bijvoorbeeld in het verslagjaar bijgedragen aan het opstellen van nieuwe grondstofplannen voor de gemeenten Dinkelland, Hardenberg, Urk, Tubbergen en Zwolle. Hebben we voor gemeente Westerveld een evaluatie uitgevoerd op de effecten van Diftar in het eerste jaar na invoering. En hebben we voor meerdere gemeenten de inzet van onze GRIP-wagen verkend en uitgewerkt. GRIP staat daarbij voor Grondstoffen Inname- en Informatie Punt en is bedoeld om inwoners dicht bij huis te faciliteren bij het inleveren van kleine hoeveelheden herbruikbare afvalstromen uit het grof huishoudelijk afval. Andere voorbeelden zijn het verder faciliteren van afval scheiden bij hoogbouw en gestapelde bouw, de uitrol van onze kernelementenaanpak in Woudenberg en Zwartewaterland (gericht op bevorderen kwaliteit grondstoffen) en de gestructureerde aanpak van bijplaatsingen in onder andere Amersfoort en Zwolle. Samen met de gemeenten Dinkelland en Tubbergen onderzochten we de effecten van zogenaamde 0-aanbieders (huishoudens die geen restafval aanbieden). In afvalland heerst het idee dat deze zogeheten ‘0-aanbieders’ zich van hun restafval ontdoen via de inzameling van grondstoffen zoals pmd. We onderzochten of dit inderdaad het geval is. En wat bleek? Deze 0-aanbieders zijn voor een groot deel goede scheiders en waarschijnlijk soms zelfs “superscheiders”. Dankzij dit soort onderzoeken krijgen we steeds beter zicht op afvalscheiding en de mogelijkheden om deze te verbeteren.

Grondstoffenmonitor

Jaarlijks monitoren we per gemeente de prestaties op het gebied van afval scheiden in de vorm van een Grondstoffenmonitor. We rapporteren per gemeenten de ingezamelde hoeveelheden per afvalstroom en de samenstelling van het restafval. Hiermee krijgen onze gemeenten zicht op hun prestatie en op eventueel verbeterpotentieel. De resultaten over de afgelopen jaren tonen een consistente lijn van meer afvalscheiding, minder restafval en meer herbruikbare grondstoffen. De meeste ROVA-gemeenten hebben de kwantitatieve VANG-doelen inmiddels behaald. Van de 401 kiloton huishoudelijk afval dat ROVA in 2024 in haar gemeenten heeft ingezameld is 74% aangewend voor hergebruik en recycling (onder andere gft, glas, textiel, kunststof, hout, metalen, puin).

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

Categorie Aandeel
Recycling groenstromen 36,9%
Recycling overige grondstoffen 37,5%
Eindverwerking restafval met energieterugwinning 25,5%

Grafiek: grondstofmonitor ROVA 2024

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

Gemeente 2024 2023 2022
       
Aalten 46 44 44
Amersfoort 160 162 160
Bunschoten 170 141 206
Dalfsen 61 55 58
Dinkelland 82 70 65
Hardenberg 98 97 98
Hattem 52 50 49
Heerde 83 77 79
Kampen 54 54 57
Olst-Wijhe 54 46 47
Ommen 63 59 64
Oost Gelre 41 38 35
Raalte 96 92 97
Staphorst 52 52 52
Steenwijkerland 67 61 65
Tubbergen 67 53 59
Twenterand 64 73 75
Urk 161 171 156
Westerveld 89 121 115
Winterswijk 62 53 54
Woudenberg 76 78 71
Zwartewaterland 60 50 55
Zwolle 89 91 164
       
Gemiddeld ROVA 93 92 105

Grafiek: restafval in kg/inw/jr per ROVA gemeente

Ontwikkelingen afvalmarkt

Ook in de externe omgeving waren er vele ontwikkelingen die voor dynamiek in het gemeentelijke afvalbeheer zorgen en onze volle aandacht vragen. We behandelen er een aantal.

In de gemeentelijke inzamelmarkt hebben we te maken met een terugtrekkende beweging van private afvalinzamelaars. Deze private bedrijven richten zich in toenemende mate op afvalverwerking en recycling en laten de inzameling van huishoudelijk afval over aan gemeenten en hun publieke bedrijven. Ook ROVA merkt de gevolgen hiervan. Waar ROVA ook zelf werkzaamheden uitbesteedt aan derden zien we dat de belangstelling hiervoor afneemt. Daarnaast zien we de ontwikkeling van gemeenten die de overstap maken van uitbesteden naar inbesteden. ROVA staat open voor verbreding van de samenwerking in haar regio’s omdat hiermee ook een kans ontstaat voor de gewenste versterking van publieke krachtenbundeling. Inmiddels worden met meerdere gemeenten verkenningen uitgevoerd naar de mogelijkheid tot toetreding tot ROVA. 

Een ander belangrijk onderwerp betreft een ontwikkeling die de afgelopen tien jaar in toenemende mate invloed heeft op het publieke domein, namelijk de ontwikkeling van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). De bekendste UPV-regelingen zijn die voor e-waste en verpakkingen. Maar ook voor textiel en luiers zijn UPV-regelingen in opkomst die invloed gaan krijgen op de gemeentelijke afvalinzameling. ROVA pleit al jaren voor versterking van de gemeentelijke samenwerking op dit onderwerp. Met name bij het afbakenen van verantwoordelijkheden en het opstellen van overeenkomsten tussen gemeenten en UPV-organisaties, wordt een krachtig publiek collectief gemist. Hiervoor zoeken we zoveel mogelijk de samenwerking binnen de grondstoffenalliantie CirkelWaarde, met onze koepelorganisaties VNG en NVRD en met publieke branchegenoten als HVC, Midwaste en Omrin. De hoogste urgentie lag ook afgelopen jaar weer bij de Ketenovereenkomst Verpakkingen. Na jaren van stroeve samenwerking besloot VNG in het voorjaar van 2024 om de Ketenovereenkomst met Verpact niet te verlengen waardoor nieuwe onderhandelingen nodig werden. Hierop volgde een intensief traject van verkenningen en onderhandelingen waarbij aan het ministerie werd gevraagd dit proces te begeleiden. Op moment van schrijven van dit jaarverslag lijkt een nieuw akkoord tussen partijen binnen handbereik, maar zullen de concrete afspraken nog verder uitgewerkt moeten worden. Voor gemeenten is het in al deze discussies van belang dat de doelstellingen van het instrument UPV worden gerealiseerd (minder restafval, meer hergebruik en het principe van de vervuiler betaalt), zonder dat dit ten koste gaat van de logisch samenhangende afvalinfrastructuur voor inwoners. Daarnaast is het van belang dat gemeenten worden vergoed voor hun afvalvalbeheertaken indien UPV-organisaties verantwoordelijkheden bij gemeenten onderbrengen. 

Een opmerkelijke en ongewenste ontwikkeling betreft de problemen die zijn ontstaan rondom lachgascilinders. Door gewijzigd overheidsbeleid rondom het gebruik van lachgascilinders, worden deze sinds korte tijd massaal gedumpt in de openbare ruimte en in het huishoudelijk restafval. Met name in de grote steden speelt deze problematiek. Met name afvalverbranders worden opgezadeld met de negatieve effecten hiervan in de vorm van ontploffingen in hun installaties. De schade die hieruit ontstaat is niet gedekt. Via de NVRD is sterke oppositie gevoerd tegen deze ongewenste ontwikkeling. Zowel bij het ministerie als in de Tweede Kamer is om oplossingen gevraagd voor dit urgente vraagstuk. Tot op heden tevergeefs. Om die reden hebben gemeenten en publieke afvalbedrijven besloten om de Staat te dagvaarden in een bodemprocedure om daarmee nieuwe maatregelen en een redelijke schadeloosstelling af te dwingen. Hoewel de impact voor de ROVA-gemeenten tot dusverre beperkt is gebleven heeft ROVA besloten zich bij het publieke collectief aan te sluiten in deze bodemprocedure.

Bij de verbranding van huishoudelijk afval doen zich twee belangrijke ontwikkelingen voor. De eerste betreft de ontwikkelingen rondom de CO2-heffing. Naast de al bestaande verbrandingsbelasting wordt door het Rijk ook een CO2-heffing op het verbranden van afval (en daarmee de uitstoot van CO2) geheven. Waar deze nationale heffing nu nog beperkt is en grotendeels wordt gecompenseerd door een dispensatieregeling, zal deze heffing in de komende jaren in hoogte snel toenemen en daarmee de kosten voor afvalverbranding voor gemeenten sterk doen stijgen. Zeker als de Europese Commissie in 2026 gaat besluiten om de afvalverbranders onder de werking van het Europese ETS-systeem te laten vallen. Deze ‘milieuheffing’ dwingt gemeenten nog verder tot verbetering van afvalscheiding om de kosten voor inwoners beheersbaar te houden. De tweede ontwikkeling betreft de uitwerking van de door de Rijksoverheid gepresenteerde visie op afvalverbranding. Het Kabinet wil met de afvalsector afspraken maken over verduurzaming en het verder stimuleren van de circulaire economie. Via maatwerkafspraken met afvalverbranders wil het Kabinet bedrijven helpen om de CO2- en stikstofuitstoot te verlagen. Wat de exacte uitwerking hiervan wordt en of capaciteitsreductie van afvalverbranding hier onderdeel van gaat zijn, is nog onduidelijk. Zeker is wel dat deze maatregelen ook voor gemeenten merkbaar zullen worden bij het afsluiten van verwerkingscontracten.